Het hulpje van de machinist
- jonmarree
- 29 mei
- 2 minuten om te lezen
Een cliënt van me is lid van het managementteam van een overheidsorganisatie en verantwoordelijk voor een groot team van uitvoerders die onder meer sloten uitbaggeren en bermen maaien. Hij houdt van zijn werk, maar loopt al langere tijd op het kantoor rond met een opgesloten en belemmerd gevoel. Hij denkt dat hij beter moet presteren om het plezier terug te krijgen. Daarop gaat hij harder werken en maakt steeds meer uren, totdat hij dit niet meer volhoudt. Uiteindelijk besluit hij met het harde werken te stoppen en meer plezier te maken. Maar helaas, zijn pogingen om te stoppen met het ene gedrag en te beginnen met het andere gedrag, worden evengoed een kwestie van hard werken.
Dan klopt hij bij mij aan. Als hij vertelt over zijn verwoede pogingen om het plezier terug te vinden, stel ik voor dat hij het eens omkeert. Als hij het plezier zelf niet kan vinden, waarom laat hij het plezier hem dan niet vinden? Hij rolt met zijn ogen en valt stil – en dat is voor het eerst in de ontmoeting. Ik geloof wel dat er een kwartje valt.
In de week erop gebeurt er iets bijzonders. Hij zit weer met dat beklemde gevoel op kantoor en staat dan op. Zonder doel of plan loopt hij het gebouw uit. Buiten krijgt hij direct een beter gevoel. Hij hoort een motor draaien, in de richting van de werkplaatsen, verderop. Als hij eropaf gaat, heeft hij nog steeds geen idee wat hij gaat doen – maar het voelt in ieder geval goed.
Achter een loods blijkt een baggerkraan actief en op het moment dat de kraanmachinist hem ziet, steekt die zijn hoofd uit het raampje en roept. Het eindigt ermee dat hij de rest van die middag het hulpje van de kraanmachinist is en uiteindelijk ook zelf in de cabine plaatsneemt, iets wat ooit een jongensdroom van
hem was. Zo vindt het plezier hem. Ze spreken af dit vaker te doen.
Later duiden we wat er is gebeurd. Zijn ego-persoonlijkheid was degene die in de tredmolen van steeds harder werken raakte. Vanuit deze identiteit besefte hij wel dat het zo niet langer kon, maar de oplossingen die hij probeerde bleven maar vanuit diezelfde tredmolen komen. Toen zijn ego-persoonlijkheid het opgaf, kwam er ruimte. Niet omdat hij actief iets nastreefde, maar omdat hij dat juist niet deed – en dat was nieuw. Zijn ego-persoonlijkheid had eindelijk vrij en zijn vrije persoonlijkheid nam het stokje over. Heel vanzelfsprekend en natuurlijk.
Opmerkingen